Stel je voor: een man in een stenen torenbibliotheek in de Dordogne, omringd door duizenden boeken. Hij pakt een bundel van Plutarchus, legt die neer, grijpt dan naar Sextus Empiricus, en noteert in de kantlijn een gedachte die hem al weken bezighoudt: hoe kan een mens ooit zeker zijn van zijn eigen oordeel? Michel de Montaigne schreef zijn zevenenveertigste essay niet in een intellectueel vacuüm. Achter elke twijfelende zin schuilt een eeuwenoud filosofisch gesprek, een keten van denkers die hem vormden en uitdaagden. Dit artikel volgt dat gesprek naar zijn bronnen.
De sceptische traditie als fundament
Wie de filosofische wortels van Montaignes essay wil begrijpen, komt onvermijdelijk uit bij het pyrronistisch scepticisme. Pyrrho van Elis, die in de vierde eeuw voor Christus leefde, leerde dat de mens geen definitieve kennis over de werkelijkheid kan bereiken. Hij pleitte voor opschorting van het oordeel, wat in het Grieks ‘epochè’ werd genoemd. Montaigne las deze ideeën niet rechtstreeks bij Pyrrho, maar via de geschriften van Sextus Empiricus, wiens werk in de zestiende eeuw opnieuw in omloop kwam dankzij de drukpers. De herontdekking van deze teksten veroorzaakte een intellectuele schokgolf in het Europa van de Renaissance. Montaigne liet het beroemde motto ‘Que sais-je?’ (Wat weet ik?) in zijn bibliotheek graveren, een zin die de kern van het pyrronisme samenvat.
Het essay ‘Over de onzekerheid van ons oordeel’ past naadloos in deze sceptische lijn. Montaigne onderzoekt hoe mensen in oorlogssituaties tot tegengestelde conclusies komen op basis van dezelfde feiten. Hij toont aan dat de uitkomst van een beslissing niet bewijst dat het oordeel juist was. Het toeval speelt een minstens zo grote rol als de rede. Dit is geen nihilisme, maar een diepgevoelde intellectuele bescheidenheid die direct teruggaat op de antieke twijfeltraditie.
Plutarchus en Seneca als gesprekspartners
Montaigne noemde Plutarchus en Seneca zijn twee favoriete auteurs, en hun invloed op essay 47 is onmiskenbaar. Plutarchus, de Griekse biograaf en moralist, leverde Montaigne een schatkist aan historische voorbeelden van veldheren en staatslieden die ogenschijnlijk briljante beslissingen namen, maar wier succes evengoed aan geluk als aan inzicht te danken was. Montaigne volgde Plutarchus’ methode: het naast elkaar plaatsen van tegenstrijdige voorbeelden om de lezer zelf tot nadenken te dwingen, in plaats van een eenduidig moreel oordeel op te leggen.
Seneca, de Romeinse stoïcijn, bood Montaigne een ander perspectief. De stoïcijnen geloofden dat de mens zijn oordeel kan en moet trainen, maar erkenden tegelijk dat de buitenwereld zich niet laat beheersen. Seneca’s brieven aan Lucilius bevatten herhaaldelijk de waarschuwing dat zelfs de wijste mens zich kan vergissen in zijn inschatting van situaties. Montaigne nam deze waarschuwing over, maar ging verder dan Seneca: waar de stoïcijn nog vertrouwde op de mogelijkheid van wijsheid, twijfelde Montaigne ook daaraan. Hij radicaliseerde het stoïsche voorbehoud tot een volledige erkenning van menselijke feilbaarheid.
Renaissance-humanisme en de herontdekking van de mens
Het intellectuele klimaat van de zestiende eeuw vormde de vruchtbare bodem waarin Montaignes twijfel kon groeien. Het Renaissance-humanisme, met voorlopers als Francesco Petrarca en Erasmus van Rotterdam, had de mens opnieuw centraal gesteld als onderwerp van onderzoek. Niet langer was de theologie het enige referentiekader; de klassieke Oudheid werd herontdekt als bron van wijsheid die ook buiten de kerk waardevol was. Montaigne ging op de schouders van deze humanisten staan, maar keek een andere kant op. Waar veel humanisten de menselijke rede verheerlijkten, legde Montaigne juist de grenzen ervan bloot.
Dit plaatst hem in een bijzondere positie. Hij was geen anti-humanist, maar een humanist die het humanisme zelf aan kritisch onderzoek onderwierp. Zijn essay over de onzekerheid van het oordeel is daarvan een treffend voorbeeld: de mens die zichzelf bestudeert, ontdekt dat zijn verstand hem even vaak misleidt als voorlicht. Dit besef is niet defaitistisch, maar bevrijdend. Het opent de deur naar een houding van voortdurend leren, van bereidheid om het eigen gelijk los te laten.
Montaignes filosofie van twijfel is geen zwakte, maar een daad van intellectuele moed: wie erkent dat zijn oordeel feilbaar is, staat open voor werkelijke groei.
De onzekerheid als bouwsteen voor de vrijmetselaar
De vrijmetselarij, die ruim een eeuw na Montaignes dood haar georganiseerde vorm kreeg, deelt verrassend veel met zijn filosofische grondhouding. De loge is een ruimte waar broeders samenkomen vanuit verschillende overtuigingen, achtergronden en levensbeschouwingen. Het fundament van die samenkomst is niet een gedeelde zekerheid, maar een gedeeld verlangen naar inzicht. Wie een loge binnentreedt, wordt niet gevraagd om antwoorden te geven, maar om vragen te stellen, te luisteren, en het eigen oordeel voortdurend te toetsen aan dat van anderen.
De filosofische lijn van Pyrrho via Sextus Empiricus naar Montaigne vindt zo een verrassend vervolg in de rituele praktijk van de vrijmetselarij. Het ritueel nodigt de vrijmetselaar uit om stil te staan bij de grenzen van zijn kennen. Niet om te stoppen met denken, maar om dieper te denken. De ruwe steen die bewerkt moet worden, is niet alleen een oproep tot zelfverbetering, maar ook een herinnering dat het werk nooit voltooid is, dat elk oordeel voorlopig blijft. Montaigne zou zich in die gedachte hebben herkend.
Een keten van denkers, een keten van broeders
De intellectuele stamboom van essay 47 laat zien dat grote ideeën nooit in isolement ontstaan. Pyrrho beïnvloedde Sextus Empiricus, die op zijn beurt Montaigne bereikte via de drukkersen van de Renaissance. Montaigne beïnvloedde denkers als René Descartes, die de methodische twijfel tot uitgangspunt van zijn filosofie maakte, en Blaise Pascal, die Montaignes scepticisme serieus nam maar er een religieus antwoord op formuleerde. Zelfs Voltaire en Jean-Jacques Rousseau, beiden verbonden met de vroege vrijmetselarij, schreven in het verlengde van Montaignes vragen over menselijk oordeelsvermogen.
Wat deze denkers verbindt, is precies wat ook de vrijmetselaar drijft: het besef dat kennis een reis is, geen bestemming. Het essay van Montaigne over de onzekerheid van ons oordeel is dan ook geen historisch curiosum, maar een levend document. Het herinnert ons eraan dat de bereidheid om te twijfelen de voorwaarde is voor echte wijsheid, in de studeervertrekken van de zestiende eeuw net zo goed als in de loges van vandaag.
Michel de Montaigne schreef zijn essay over de onzekerheid van het oordeel niet alleen vanuit persoonlijke ervaring, maar gevoed door een rijke filosofische traditie die terugreikt tot de antieke Grieken. Het pyrronistisch scepticisme, de levenswijsheid van Plutarchus en Seneca, en de intellectuele vrijheid van het Renaissance-humanisme vormden samen het weefsel waaruit zijn gedachten zijn opgebouwd. Voor de vrijmetselaar biedt dit een waardevolle spiegel: de erkenning dat ons oordeel feilbaar is, is geen reden tot moedeloosheid, maar een uitnodiging om met bescheidenheid en nieuwsgierigheid te blijven bouwen, aan onszelf en aan de wereld om ons heen.
Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E
Veelgestelde vragen
Wat is de filosofische basis van Montaignes essay 47?
De basis vormt het pyrronistisch scepticisme, een antieke filosofische traditie die stelt dat mensen geen definitieve kennis over de werkelijkheid kunnen bereiken. Montaigne kende deze ideeën via Sextus Empiricus, wiens werken in de zestiende eeuw herontdekt werden. Dit scepticisme uit zich in Montaignes beroemde motto 'Que sais-je?' (Wat weet ik?), dat hij in zijn bibliotheek liet graveren.
Welke klassieke auteurs hadden de grootste invloed op essay 47?
Montaigne noemde Plutarchus en Seneca zijn twee favoriete auteurs. Plutarchus leverde hem historische voorbeelden van veldheren wiens succes evenzeer aan toeval als aan inzicht te danken was. Deze voorbeelden gebruikte Montaigne om aan te tonen dat tegengestelde conclusies uit dezelfde feiten kunnen volgen, wat de centrale stelling van zijn essay ondersteunt.
Wat stelt Montaigne in essay 47 'Over de onzekerheid van ons oordeel' eigenlijk?
Montaigne stelt dat mensen in dezelfde situaties tot tegengestelde conclusies kunnen komen op basis van dezelfde feiten. Hij bewijst dat het toeval minstens zo'n grote rol speelt als de rede bij beslissingen, en dat het succes van een beslissing niet bewijst dat het oordeel juist was. Dit is geen nihilisme, maar een vorm van intellectuele bescheidenheid die voortkomt uit de antieke sceptische traditie.
Lees ook: Montaigne, oordeel en broederschap: twee wegen naar verbinding (Vrijmetselarij & Verbinding)
Geef als eerste een reactie