Een man zit in een torenbibliotheek in de Dordogne. Het is ergens rond 1580. Om hem heen liggen de werken van Seneca, Plutarchus en Lucretius, opengeslagen op passages over verlangen en gebrek. Michel de Montaigne leest, noteert, en begint langzaam aan een essay dat een vraag stelt die eeuwen later nog steeds in de rituelen van de vrijmetselarij doorklinkt: hebben wij werkelijk iets te kort, of is het juist onze onrust die het tekort schept?
De intellectuele wereld van het zestiende-eeuwse Frankrijk
Wanneer Michel de Montaigne in de jaren zeventig en tachtig van de zestiende eeuw zijn essays schrijft, bevindt Frankrijk zich in een periode van diepe religieuze en politieke verdeeldheid. De godsdienstoorlogen tussen katholieken en hugenoten hebben het vertrouwen in absolute waarheden ondermijnd. Het is precies deze crisis die Montaigne ertoe brengt om niet bij dogma’s te schuilen, maar bij de wijsheid van de klassieke oudheid. Zijn torenbibliotheek bevat meer dan duizend boeken, en de balken boven zijn hoofd zijn gegraveerd met citaten van Sextus Empiricus, Lucretius en de Bijbel. In die intellectuele broeikas ontstaat het essay ‘Dat we niets te kort komen’, een tekst die doordrenkt is van stoïcijnse, skeptische en epicurische invloeden.
Het Renaissance-humanisme had de mens opnieuw centraal gesteld, maar Montaigne gaat een stap verder. Waar denkers als Erasmus en Pico della Mirandola de menselijke waardigheid verheerlijkten, bevraagt Montaigne juist de menselijke neiging tot overmoed. Zijn essays zijn geen triomfantelijke lofzangen op de rede, maar eerlijke, tastende verkenningen van menselijke beperkingen. In dat opzicht staat hij dichter bij de oude Grieken dan bij zijn eigen tijdgenoten.
De stoïcijnse wortels: Seneca en de kunst van het genoeg
De invloed van het stoïcisme op dit essay is onmiskenbaar. Lucius Annaeus Seneca, de Romeinse filosoof en staatsman, is een van Montaignes meest geciteerde bronnen doorheen de gehele verzameling essays. Seneca’s kerngedachte dat de mens niet lijdt aan de werkelijkheid maar aan zijn oordeel over de werkelijkheid, vormt het filosofische fundament van Montaignes betoog. Wanneer Montaigne schrijft dat wij niets te kort komen, echoot hij Seneca’s beroemde stelling dat armoede niet wordt gemeten aan bezit, maar aan verlangen. In een eerder artikel op deze website verkenden we al de verwantschap tussen Seneca en de vrijmetselaar, en dit essay bevestigt die verbinding op indringende wijze.
Maar Montaigne is geen slaafse navolger van de Stoa. Waar de stoïcijnen een streng rationeel ideaal voorhielden, mengt Montaigne hun inzichten met persoonlijke anekdotes en een gezonde dosis zelfspot. Hij neemt van Seneca het idee over dat de natuur de mens alles geeft wat hij nodig heeft, maar voegt daar zijn eigen observatie aan toe: dat we desondanks voortdurend ontevreden zijn, niet omdat de natuur faalt, maar omdat onze verbeelding ons parten speelt.
Plutarchus en de spiegel van de deugd
Naast Seneca is Plutarchus een beslissende invloed op dit essay. De Griekse biograaf en moraalfilosoof, wiens ‘Levens’ en ‘Moralia’ tot Montaignes absolute favorieten behoren, biedt een ander perspectief dan de Stoa. Waar Seneca abstraheert en argumenteert, vertelt Plutarchus verhalen. Hij toont de deugd niet als theoretisch ideaal maar als geleefde praktijk, aan de hand van concrete levens van Griekse en Romeinse helden. Montaigne bewondert deze aanpak en neemt haar over. In ‘Dat we niets te kort komen’ gebruikt hij voorbeelden uit de oudheid om te laten zien dat volkeren en individuen die met minder leefden, niet armer waren, maar vaak gelukkiger.
Dit is een inzicht dat diep resoneert met de maçonnieke traditie. De vrijmetselarij nodigt haar leden immers uit om niet naar buiten te kijken voor bevestiging, maar naar binnen. Het werk aan de ruwe steen, het centrale beeld in het maçonnieke ritueel, is geen verwerving van iets nieuws, maar het wegbeitelen van het overbodige. Plutarchus en Montaigne delen deze overtuiging: de deugd ligt niet in toevoeging, maar in onthulling.
Skepticisme: de kracht van het niet-weten
De derde grote filosofische stroming die dit essay voedt, is het pyrronistisch skepticisme. Montaigne was diep beïnvloed door Sextus Empiricus, wiens werken hij rond 1576 intensief bestudeerde. Het skepticisme leert dat de mens geen toegang heeft tot absolute kennis, en dat het opschorten van het oordeel, de zogenaamde ‘epochè’, tot innerlijke rust leidt. In ‘Dat we niets te kort komen’ vertaalt Montaigne dit naar een praktische levenshouding: als we niet zeker kunnen weten wat we werkelijk nodig hebben, waarom zouden we ons dan uitputten in het najagen van steeds meer?
Montaigne leert ons dat het besef van genoeg niet begint bij wat we bezitten, maar bij het stilzetten van het verlangen naar wat we niet nodig hebben.
Deze skeptische grondhouding verbindt Montaigne ook met de maçonnieke zoektocht. De vrijmetselarij presenteert zichzelf niet als een systeem dat antwoorden geeft, maar als een methode die vragen stelt. Het ritueel biedt geen dogma, maar een kader waarbinnen de individuele broeder of zuster zelf tot inzicht kan komen. Montaignes beroemde lijfspreuk ‘Que sçay-je?’ (Wat weet ik?) zou niet misstaan boven de ingang van menige loge.
Lucretius en de natuur als leermeester
Een minder voor de hand liggende maar wezenlijke invloed op dit essay is Titus Lucretius Carus, de Romeinse dichter-filosoof wiens leerdicht ‘Over de natuur der dingen’ een verwoording is van het epicurisme. Lucretius betoogt dat de natuur de mens alles biedt wat nodig is voor een goed leven, en dat angst voor de goden en voor de dood de voornaamste bronnen zijn van menselijk lijden. Montaigne deelt deze naturalistische kijk: hij stelt in zijn essay dat de volkeren die dicht bij de natuur leven, geen gebrek kennen aan wat werkelijk telt. Het is de beschaving, met haar kunstmatige behoeften en opgeblazen verwachtingen, die het gevoel van tekort schept.
Ook hier raakt de filosofische achtergrond aan de maçonnieke praktijk. De vrijmetselarij gebruikt de natuur en het ambacht als metaforen voor de innerlijke ontwikkeling van de mens. De steen wordt niet verfraaid met versierselen, maar ontdaan van ruwe randen. Lucretius, Montaigne en de loge delen de overtuiging dat de essentie al aanwezig is, verborgen onder lagen van gewoonte, angst en onnodig verlangen.
Een tijdloos samenspel van tradities
Wat dit essay zo bijzonder maakt, is dat Montaigne geen enkele school blindelings volgt. Hij weeft stoïcisme, skepticisme, epicurisme en Renaissance-humanisme samen tot iets eigens. Hij citeert Seneca en spreekt hem vervolgens tegen. Hij bewondert Plutarchus en relativeert diens heldenbeelden. Hij omarmt het niet-weten van Sextus Empiricus zonder daarin cynisch te worden. Het resultaat is een essay dat uitnodigt tot zelfonderzoek zonder een eindantwoord op te leggen, precies zoals een goed maçonniek ritueel dat doet.
Voor de vrijmetselaar die Montaigne leest, opent zich een herkenbare wereld. De overtuiging dat de mens in zichzelf alles vindt wat nodig is voor een deugdzaam en zinvol bestaan, vormt het stille hart van zowel de essays als het logewerk. Het is geen toeval dat Montaignes denken door de eeuwen heen broeders en zusters heeft geïnspireerd. Zijn filosofie is, in de diepste zin van het woord, een uitnodiging om de werkplaats van het eigen innerlijk te betreden.
Michel de Montaigne putte voor ‘Dat we niets te kort komen’ uit een rijke traditie van stoïcijns, skeptisch en epicurisch denken, gevoed door Seneca, Plutarchus, Lucretius en Sextus Empiricus. Maar hij maakte van die erfenis iets nieuws: een persoonlijke, menselijke filosofie die niet voorschrijft maar uitnodigt. Voor de vrijmetselaar ligt daarin een diepe verwantschap. Zowel Montaigne als de loge stellen dezelfde vraag: niet wat heb je nodig, maar wat kun je loslaten om dichter bij jezelf te komen?
Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E
Geef als eerste een reactie