In het jaar 1580 publiceerde Michel de Montaigne zijn beroemde Essays, een verzameling introspectieve beschouwingen die de westerse filosofie blijvend zou beïnvloeden. Zijn zevenendertigste essay, ‘Over de gelijkheid onder ons’, bevat een opmerkelijke observatie: ondanks alle uiterlijke verschillen tussen mensen bestaat er een fundamentele gelijkwaardigheid die ons verbindt. Deze gedachte, meer dan vier eeuwen geleden opgeschreven in een torentje in de Dordogne, blijkt verrassend actueel wanneer we haar leggen naast de principes die ruim een eeuw later de vrijmetselarij zouden vormgeven.
Het zestiende-eeuwse inzicht van Montaigne
Michel de Montaigne schreef zijn essay in een tijd van diepe maatschappelijke ongelijkheid. De Franse standenmaatschappij kende strikte hiërarchieën: adel, geestelijkheid en het gewone volk. Toch durfde deze edelman te stellen dat zelfs de machtigste vorst en de eenvoudigste boer dezelfde fundamentele menselijke conditie deelden. Beide ervaren honger, vermoeidheid, angst en vreugde. Beide zullen sterven. Dit inzicht was in zijn tijd revolutionair, hoewel Montaigne het niet als politiek manifest presenteerde, maar als persoonlijke observatie.
Montaigne putte hierbij uit klassieke bronnen. De stoïcijnen, met name Seneca en Marcus Aurelius, hadden al geschreven over de universele menselijke natuur. Aristoteles onderzocht de vraag wat mensen werkelijk gelijk maakt. Maar waar de Grieken en Romeinen deze gedachten vooral theoretisch benaderden, maakte Montaigne ze persoonlijk en toegankelijk. Hij beschreef hoe hij zelf, ondanks zijn adellijke status, niet wezenlijk verschilde van de dienaren in zijn huishouden.
De geboorte van een broederschap
Ruim honderdveertig jaar na Montaignes dood vond in Londen een opmerkelijke gebeurtenis plaats. In 1717 verenigden vier loges zich tot de eerste Grootloge, het formele begin van de moderne vrijmetselarij. De mannen die samenkwamen, kwamen uit verschillende maatschappelijke lagen: ambachtslieden, kooplieden, intellectuelen en edellieden. Binnen de loge lieten zij hun maatschappelijke rang achter. De schort die elke broeder droeg, symboliseerde deze gelijkheid: of je nu hertog was of timmerman, allen droegen hetzelfde werktuig.
James Anderson, die in 1723 de eerste constituties van de vrijmetselarij opstelde, verwoordde dit principe expliciet. Broeders zouden elkaar ontmoeten ‘op de waterpas’, een symbolische uitdrukking die aangeeft dat alle leden op gelijk niveau staan. Dit was geen toeval of modieuze gril. De vroege vrijmetselaars kenden hun klassieke bronnen, waaronder de essays van Montaigne, die in die tijd wijd gelezen werden onder de ontwikkelde burgerij.
Deugd als gemeenschappelijke grond
Zowel Montaigne als de vrijmetselarij plaatsen deugdzaamheid boven afkomst of rijkdom. Voor Montaigne was een deugdzaam leven belangrijker dan een voornaam leven. Hij bewonderde eerder de wijsheid van Socrates dan de macht van Alexander de Grote. Deze houding vinden we terug in de vrijmetselarij, waar morele perfectie het hoogste streven vormt. Niet wat je bezit, maar wie je bent en hoe je handelt, bepaalt je waarde als mens en als broeder.
Ware gelijkheid ontstaat niet door het opheffen van verschillen, maar door het erkennen van gedeelde menselijkheid en het gezamenlijk streven naar deugd.
Dit gedeelde uitgangspunt verklaart waarom de vrijmetselarij door de eeuwen heen mannen van verschillende achtergronden heeft samengebracht. Wolfgang Amadeus Mozart, zelf vrijmetselaar, componeerde zij aan zij met broeders uit de handel en de wetenschap. Johann Wolfgang von Goethe, eveneens lid van de broederschap, zag in de loge een ruimte waar de maatschappelijke conventies tijdelijk werden opgeschort ten gunste van gemeenschappelijk onderzoek naar waarheid en wijsheid.
Zelfreflectie als pad naar verbinding
Montaigne staat bekend als de vader van het moderne essay, een vorm die gekenmerkt wordt door zelfreflectie en eerlijke introspectie. Zijn beroemde motto ‘Que sais-je?’ (‘Wat weet ik?’) drukt een fundamentele bescheidenheid uit. Door zichzelf kritisch te onderzoeken, ontdekte Montaigne zijn eigen beperkingen en zwakheden. Dit maakte hem niet kleiner, maar juist menselijker en toegankelijker.
De vrijmetselarij kent een vergelijkbare praktijk. Het werken aan de ‘ruwe steen’, de symbolische bewerking van het eigen karakter, vereist eerlijke zelfreflectie. Een broeder die zichzelf niet kent, kan niet groeien. De spiegel die de loge voorhoudt, toont niet de buitenkant maar de binnenkant van de mens. In dit opzicht wandelen Montaigne en de vrijmetselaar hetzelfde pad: beiden zoeken naar waarheid door eerst naar binnen te kijken.
Van verleden naar heden
Wat kunnen wij, in het jaar 2026, leren van dit historische samenspel tussen een zestiende-eeuws filosoof en een achttiende-eeuwse broederschap? Allereerst dat het idee van fundamentele menselijke gelijkheid geen moderne uitvinding is, maar diepe historische wortels heeft. Montaigne formuleerde het, de vroege vrijmetselaars institutionaliseerden het in hun rituelen en gebruiken.
Ten tweede leert deze geschiedenis ons dat verbinding ontstaat door gedeelde waarden, niet door gedeelde achtergrond. De loge brengt mensen samen die in het dagelijks leven misschien nooit met elkaar in contact zouden komen. De essays van Montaigne bereikten lezers van alle standen, omdat zij spraken over universele menselijke ervaringen. In beide gevallen vormt de erkenning van gelijkwaardigheid de basis voor authentieke ontmoeting.
- Gelijkheid als startpunt voor broederschap, niet als einddoel
- Deugdzaamheid boven maatschappelijke status
- Zelfreflectie als voorwaarde voor oprechte verbinding
- Het erkennen van gedeelde menselijke kwetsbaarheid
Een tijdloze les
De parallel tussen Montaigne en de vrijmetselarij is geen toevallige gelijkenis, maar een voorbeeld van hoe wijsheid door de eeuwen heen wordt doorgegeven en nieuwe vormen aanneemt. Montaigne schreef voor zichzelf, maar raakte daarmee aan universele waarheden. De vrijmetselarij formaliseerde vergelijkbare inzichten in een broederschap die tot op heden bestaat. Beide tradities herinneren ons eraan dat achter elke titel, elk beroep en elke sociale rol een mens schuilgaat, met dezelfde fundamentele behoeften en dezelfde uiteindelijke bestemming.
Het essay van Montaigne over gelijkheid en de principes van de vrijmetselarij vormen samen een krachtige uitnodiging: zie voorbij de oppervlakkige verschillen en herken de gedeelde menselijkheid die ons allen verbindt. In een wereld die vaak verdeelt en categoriseert, bieden beide tradities een alternatief perspectief. Niet de vraag wie hoger staat, maar de vraag hoe wij samen kunnen groeien in deugd en wijsheid, verdient onze aandacht. Deze boodschap, al meer dan vier eeuwen oud, heeft niets aan kracht ingeboet.
Copyright tekst & afbeelding: devrijmetselaar.nl
Teksten zijn naar idee en inhoud van de auteur van devrijmetselaar.nl en op fouten gecontroleerd, gecorrigeerd en aangevuld met behulp van OpenAi. Afbeeldingen zijn naar idee van de auteur van devrijmetselaar.nl gemaakt met gebruikmaking van OpenAi/Dall-E
Veelgestelde vragen
Wat was Montaignes revolutionaire inzicht over gelijkheid?
Montaigne stelde in zijn essay 'Over de gelijkheid onder ons' dat ondanks alle uiterlijke verschillen tussen mensen een fundamentele gelijkwaardigheid bestaat. Hij betoogde dat zelfs de machtigste vorst en de eenvoudigste boer dezelfde fundamentele menselijke conditie delen: beide ervaren honger, vermoeidheid, angst, vreugde en zullen sterven. Dit was revolutionair voor zijn tijd, hoewel hij het als persoonlijke observatie presenteerde in plaats van als politiek manifest.
Hoe verbindt de vrijmetselarij zich met Montaignes filosofie?
De moderne vrijmetselarij, formeel geboren in 1717 met de eerste Grootloge in Londen, baseerde zich op hetzelfde principe van gelijkheid dat Montaigne ruim 140 jaar eerder had beschreven. Vrijmetselaren uit verschillende maatschappelijke lagen ontmoetten elkaar 'op de waterpas', wat aangeeft dat alle leden op gelijk niveau staan. De schort die elke broeder droeg, symboliseerde deze gelijkheid ongeacht of iemand hertog of timmerman was.
Wie was James Anderson en wat was zijn rol in de vrijmetselarij?
James Anderson stelde in 1723 de eerste constituties van de vrijmetselarij op. Hij verwoordde expliciet het principe dat broeders elkaar zouden ontmoeten 'op de waterpas', een symbolische uitdrukking voor het gelijk niveau waarop alle leden van de vrijmetselarij staan, ongeacht hun maatschappelijke positie.
Geef als eerste een reactie