Seneca: Brief XCVIII — Over de ware rijkdom (Samenvatting)
Het is vroeg in de avond. Een man zit aan een eenvoudige houten tafel, het schijnsel van een olielamp weerkaatst op een rol perkament. Hij schrijft aan zijn vriend, niet over staatszaken of retorische oefeningen, maar over iets dat hem al jaren bezighoudt: de vraag of bezit de mens werkelijk gelukkig maakt. Die man is Lucius Annaeus Seneca, en de brief die hij die avond schrijft, staat nu bekend als Brief XCVIII uit zijn verzameling Brieven aan Lucilius. Het is een tekst die niets van zijn zeggingskracht heeft verloren, juist omdat de verleiding van materiële rijkdom nooit is verdwenen. De kern van de brief: bezit als leengoed In Brief XCVIII richt Seneca zich rechtstreeks tot zijn leerling en vriend Lucilius met een boodschap die tegelijk troostend en confronterend is. De centrale stelling luidt dat materiële rijkdom op zichzelf niet verwerpelijk is, maar dat de wijze mens nooit mag vergeten dat bezit hem slechts in bruikleen is gegeven. Het lot, of Fortuna zoals de Romeinen haar noemden, kan alles wat zij schonk in een oogwenk weer terugnemen. Wie dat beseft, bezit zijn goederen zonder erdoor bezeten te worden. Seneca maakt een helder onderscheid tussen twee houdingen tegenover rijkdom. De eerste houding […]