Montaigne over eenzaamheid: de filosofische wortels
Er staat een stoel in een lege kamer. Geen tafel, geen boek, geen ander mens. Alleen een stoel en stilte. Voor de meeste mensen roept dat beeld ongemak op, misschien zelfs angst. Maar voor Michel de Montaigne was die lege kamer het vertrekpunt van een van zijn meest doordachte essays: het achtendertigste stuk uit het eerste boek van zijn Essays, getiteld ‘Over eenzaamheid’. Achter die ogenschijnlijk eenvoudige titel schuilt een rijke filosofische erfenis die reikt van de Romeinse Stoa tot het Renaissance-humanisme, en die verrassend diepe raakvlakken vertoont met de innerlijke arbeid die de vrijmetselarij van haar leden vraagt. De stoel als spiegel van het innerlijk Stel u de lege stoel voor als een ritueel voorwerp. Niet als een meubel dat wacht op gebruik, maar als een uitnodiging. Wie gaat zitten in de stilte, ontmoet uiteindelijk zichzelf. Montaigne begreep dat als geen ander. Toen hij zich in 1571 terugtrok op zijn kasteel in de Dordogne en de befaamde torenkamer betrok, deed hij meer dan een persoonlijke keuze. Hij voegde zich in een eeuwenoude filosofische traditie die eenzaamheid beschouwt als de noodzakelijke voorwaarde voor zelfkennis. Die traditie had vele bronnen, en Montaigne putte er gulzig uit. Seneca en de stoïsche terugtrekking […]