Marcus Aurelius Boek VI: Over broederschap en medemenselijkheid
In het jaar 170 na Christus, te midden van militaire campagnes aan de Donaugrens, schreef de Romeinse keizer Marcus Aurelius zijn persoonlijke overpeinzingen neer. Boek VI van zijn Meditaties bevat enkele van de meest indringende gedachten over wat het betekent om als mens verbonden te zijn met andere mensen. Deze overpeinzingen, geschreven in de eenzaamheid van een legertent, spreken na bijna twee millennia nog steeds tot iedereen die nadenkt over broederschap, gemeenschap en de kunst van het samenleven. De historische context van Boek VI Marcus Aurelius regeerde als keizer van 161 tot 180 na Christus, een periode die werd gekenmerkt door oorlogen, plagen en politieke onrust. Toch vond deze filosoferende heerser tijd om zijn innerlijke leven te onderzoeken. Boek VI ontstond waarschijnlijk tijdens de Marcomannenoorlogen, toen de keizer zich geconfronteerd zag met de rauwste aspecten van het menselijk bestaan: geweld, verraad en dood. Juist in deze omstandigheden ontwikkelde hij zijn diepste inzichten over menselijke verbondenheid. De stoïsche filosofie, waarin Marcus Aurelius was onderwezen door leraren als Junius Rusticus en Apollonius van Chalcedon, vormde het fundament van zijn denken. Deze school benadrukte dat alle mensen deel uitmaken van één kosmische gemeenschap, verbonden door de rede die in ieder van ons woont. […]