Plato over de ziel: innerlijke harmonie als vrijmetselaarspad
Een wagenmenner houdt de teugels van twee paarden vast. Het ene paard is vurig en ontembaar, het andere rustig en volgzaam. Alleen wanneer de menner beide paarden in evenwicht houdt, kan de wagen zijn bestemming bereiken. Dit beeld, dat Plato elders in zijn werk gebruikte, weerspiegelt precies wat hij in het vierde boek van De Republiek uiteenzet over de menselijke ziel. Voor wie vertrouwd is met vrijmetselaarswaarden, opent zich hier een verrassende parallel: het werk aan de ruwe steen blijkt nauw verwant aan het ordenen van de eigen zielskrachten. De driedeling van de ziel bij Plato In De Republiek onderscheidt Plato drie delen van de menselijke ziel: het redelijke deel, het moedige of strijdlustige deel, en het begerende deel. Het redelijke deel zoekt waarheid en wijsheid, het strijdlustige deel verlangt naar eer en erkenning, terwijl het begerende deel zich richt op lichamelijke genoegens en materiële bevrediging. Plato betoogt dat rechtvaardigheid in de ziel ontstaat wanneer elk deel zijn eigen functie vervult en de rede de leiding neemt over de andere twee. Deze driedeling is geen theoretische abstractie. Plato beschrijft hoe we dagelijks de spanning ervaren tussen wat we weten dat goed is, wat onze trots verlangt, en wat onze begeerten […]