Montaigne over lot en rede: filosofische wortels van Essay 33
Wanneer Michel de Montaigne in zijn drieëndertigste essay schrijft dat het lot vaak handelt in dienst van de rede, raakt hij aan een vraagstuk dat filosofen al eeuwenlang bezighoudt. Is het toeval werkelijk blind, of schuilt er een verborgen logica in de schijnbare willekeur van het bestaan? Om Montaignes gedachten hierover te doorgronden, moeten we afdalen naar de bronnen waaruit hij putte: de Stoïcijnse wijsheid, het Skepticisme en het Renaissance-humanisme dat zijn wereld vormde. De Stoïcijnse erfenis: Seneca en het lot Montaignes denken over fortuna kan niet worden begrepen zonder de invloed van Seneca, de Romeinse filosoof wiens brieven en traktaten als vaste metgezellen op Montaignes bureau lagen. Voor Seneca was het lot geen vijand om te vrezen, maar een leermeester die ons dwingt tot innerlijke groei. In zijn Brieven aan Lucilius betoogt hij dat tegenspoed de deugd op de proef stelt en daarmee juist versterkt. Het lot werkt zo, paradoxaal genoeg, mee aan het bereiken van wijsheid. Deze gedachte resoneert sterk in Essay 33. Montaigne neemt het Stoïcijnse idee over dat schijnbaar toevallige gebeurtenissen vaak uitkomen op resultaten die de rede had kunnen bedenken. Waar de Stoïcijnen spraken van de logos, een kosmische redelijkheid die alles doordringt, vertaalt Montaigne […]